Naar ondernemerschap in de zorg
De ideeën van Hans Hofhuizen over hoe ondernemerschap in de zorg te ontwikkelen
Mijn jongste zoon en ik leiden, zonder dat we het van elkaar wisten, aan dezelfde ziekte. We zijn beiden solipsist. Dat betekent dat we beiden weten dat we geheel alleen op de wereld zijn en dat alle andere “mensen” voor ons alleen zijn geconstrueerd. Ze zijn nep en ze hebben als enige functie om met ons te communiceren ter vermaak van onze “schepper”.
Een paar jaar geleden kwamen we er bij toeval achter dat we beiden dezelfde opvatting in deze hebben. Natuurlijk vindt hij dat ik niet echt ben en andersom. Dat weerhoudt ons er niet van om er vrijelijk over te filosoferen.
We herkennen patronen in de bewegingen en de structuur van mensen die ons voorgeschoteld worden. Sommige lijken erg op elkaar. Dat komt omdat er gewerkt wordt met mallen. Steeds weer een nieuwe “mens’ construeren zou immers te duur zijn. We kunnen heel goed met onze kwaal leven. Als het niet waar is, is het niet erg en als het wel waar is spelen we het spel gewoon mee. We hebben immers geen keus en we vinden het allemaal wel amusant zo. We zijn niet eenzaam; niet eenzamer dan andere mensen, denken we.
Nu handelen sommige zorginstellingen vanuit een overeenkomstige opvatting. Dan wordt het ineens ernstig.
Deze instellingen doen net alsof ze alleen op de wereld zijn en spannen zich niet in om samen met collega-instellingen zorgketens te vormen of anderszins coördinatieproblemen op te lossen. Ze verwijzen cliënten niet door naar andere organisaties waar ze beter geholpen kunnen worden omdat dat omzet kost.
Dat heeft naar mijn idee niets met concurrentie te maken. Slimme ondernemers zorgen uiteindelijk dat hun cliënten goed geholpen worden, waar dat ook is. Een klant die goed doorverwezen is, komt altijd terug. Het is mijn overtuiging dat geheel solistische opererende instellingen niet zullen overleven. De klanten zullen domweg wegblijven.
Bovendien raak je met solipsistisch gedrag wel erg ver van de maatschappelijke opdracht die zorginstellingen vervullen.
Goed, we stellen ons dus niet op alsof we alleen op de wereld zijn. Dan doet zich de vraag voor waar de grens tussen de instelling en de buitenwereld wordt getrokken. De ramp in Haïti verlangt een vraagt om zorg voor de overlevenden. Maar is dat nu de taak van een Nederlandse zorginstelling. En moeten we bijdragen aan de plaatselijke kinderboerderij of de voetbalvereniging?
Zeker nu de budgetten weer eens onderdruk staan, lijkt financiële participatie in dat soort projecten ver weg.
Dan zijn er alternatieven. Organisaties kunnen best hun voorzieningen openstellen voor de buurt. Waarom niet de klaverjasvereniging huisvesting bieden en peuterzwemmen mogelijk maken voor de jonge gezinnen uit de buurt.
Dat levert op den duur ook nog eens klanten op.
