Naar ondernemerschap in de zorg
De ideeën van Hans Hofhuizen over hoe ondernemerschap in de zorg te ontwikkelen
Afgelopen week hoorde ik een lezing van professor Godfroy van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij heeft onderzoek gedaan naar invloed op en wisselwerking tussen wetenschap en bestuurders van ondernemingen. In dat kader heeft hij meer dan 20 vooraanstaande bestuurders en wetenschappers gesproken. De resultaten van zijn onderzoek worden nog gepubliceerd, dus ik moet het doen met datgene dat me is bijgebleven. En dat is op zich wel interessant.
Mijn jongste zoon en ik leiden, zonder dat we het van elkaar wisten, aan dezelfde ziekte. We zijn beiden solipsist. Dat betekent dat we beiden weten dat we geheel alleen op de wereld zijn en dat alle andere “mensen” voor ons alleen zijn geconstrueerd. Ze zijn nep en ze hebben als enige functie om met ons te communiceren ter vermaak van onze “schepper”.
Een paar jaar geleden kwamen we er bij toeval achter dat we beiden dezelfde opvatting in deze hebben. Natuurlijk vindt hij dat ik niet echt ben en andersom. Dat weerhoudt ons er niet van om er vrijelijk over te filosoferen.
We herkennen patronen in de bewegingen en de structuur van mensen die ons voorgeschoteld worden. Sommige lijken erg op elkaar. Dat komt omdat er gewerkt wordt met mallen. Steeds weer een nieuwe “mens’ construeren zou immers te duur zijn. We kunnen heel goed met onze kwaal leven. Als het niet waar is, is het niet erg en als het wel waar is spelen we het spel gewoon mee. We hebben immers geen keus en we vinden het allemaal wel amusant zo. We zijn niet eenzaam; niet eenzamer dan andere mensen, denken we.
Nu handelen sommige zorginstellingen vanuit een overeenkomstige opvatting. Dan wordt het ineens ernstig.
In organisaties voor ouderenzorg, psychiatrie en gehandicaptenzorg speelt het onderwerp vastgoed in toenemende mate een belangrijke rol.
Het risico op het bezit van huizen, appartementen, verpleeg- en verzorgingshuizen, paviljoenen etc komt in toenemende mate op het bordje van de bestuurders te liggen. Dat risico heeft betrekking op de aanschaf en verkoop van panden en terreinen als ook op de exploitatie ervan. Leegstand levert verlies op.
Daarnaast is vastgoed een belangrijk onderdeel geworden van de strategie van zorgondernemingen. Bij de gekozen product/martkcombinaties hoort een aanbod waarbij de component huisvesting een belangrijke rol speelt.
In het verleden was vastgoed een speeltje van de bestuurder. Je deed het erbij en als het fout ging ruimde de overheid de rommel op. Dat is dus nu verleden tijd. Het onderwerp professionaliseert daarom in rap tempo.
Ik vraag me af of het onderwerp niet te belangrijk is om in de handen van de bestuurders te laten. Het gaat om miljoenen en bij foute beslissingen komt de continuïteit van de organisaties in gevaar. De voorbeelden zijn er te over.
Afgelopen woensdag sprak ik daarover met een aantal bestuurders in het verband van het Warnsborngenootschap.
Eén van de suggesties was de volgende.
Organisaties krijgen de mogelijkheid om hun vastgoed in handen te leggen van een aantal op Nederlandse schaal werkzame partijen die echt verstand hebben van het onderwerp. Met in handen leggen bedoel ik de eigendom dan wel de ontwikkeling en exploitatie van vastgoed.
Daarmee worden de risico’s beperkt en overgedragen aan ondernemers die expert zijn op dat terrein. Een voorbeeld van hoe dat zou kunnen is de exploitatie van parkeergarages, Q park.
Uiteraard blijven in dat geval de strategische beslissingen bij de zorgondernemers. Deze blijven ook verantwoordelijk voor leegstandrisico’s.
Daarmee verdwijnen de mogelijke winsten op onroerend goed maar vooral ook de mogelijke verliezen. En we gaan ons weer met de core business bemoeien. Tenslotte hebben we ook de was de deur uitgedaan, bakken we zelf geen broden meer en laten we anderen schoonmaken.

Afgelopen week mocht ik een gesprek voeren met de voorzitter van de raad van bestuur van een van de twee grote GGZ-instellingen in Limburg. Dat was een prima gesprek; mede vanwege de inbreng van collega Bart Wijnbergen die mij vergezelde. Het ging over de belangrijkste ontwikkelingen in de psychiatrie en de consequenties daarvan voor de besturing van zorginstellingen.
Na afloop van het gesprek merkte ik dat er voor mij iets vreemds gebeurd was. Ik wist niet direct wat.
’s Avonds was ik er achter. In de afgelopen twee en een half jaar ben ik er aan gewend geraakt dat in een gesprek alle aandacht naar mij uit gaat en indien aanwezig, ook aan de andere bestuurder. Nu ik geen bestuurder meer ben, moet ik de aandacht in gelijkwaardigheid delen met alle gesprekspartners. Een relatief nieuwe sensatie dus.
Een paar overwegingen. Ik vond het niveau van de gedachtewisseling gestegen. Er waren nu drie invalshoeken die werden belicht in plaats van twee. Daarmee steeg de kwaliteit van het gesprek.
Verder vond ik het een aangenaam gesprek. Niet alle aandacht ging meer naar mij uit en dat voelde veel relaxter. De druk om steeds maar verstandige dingen te moeten zeggen was verdwenen en daarmee ontstond de vrijheid om meer out of the box te praten.
Maar er zit ook een andere kant aan. Zo’n situatie waarbij alle aandacht naar de bestuurder gaat geeft deze ook de mogelijkheid om een grote stempel op gesprekken te leggen en daarmee op nog veel meer. Dat is natuurlijk ook de functie van een bestuurder maar deze ongelijkwaardigheid heeft ook het gevaar in zich dat waardevolle geluiden niet gehoord worden.
We hebben twee appelbomen in de tuin staan; een sterappel en een goudreinet.
Allebei hebben ze afgelopen jaar heel veel vruchten gegeven. Onlangs hebben we ze wegens tijdgebrek laten liggen. In de voorbije weken zijn ze dan toch verdwenen, opgegeten door een groot aantal merels die er de winter mee door komen. Daarbij werden ze danig in de weggezeten door een tweetal kramsvogels. Dat zijn een soort lijsters die uit Oost-Europa komen om hier te overwinteren.
Het enige wat ze deden was te proberen de merels bij de appels vandaan te houden. Een onbegonnen zaak vanwege het grote aantal merels en vruchten. Daarbij aten ze zelf bijna niets. Toen de appels na een tweetal weken op waren, hadden ze veel tijd gestoken in hun terreinafbakening maar hadden ze nauwelijks wat gegeten. Eigenlijk best wel vermakelijk.
De situatie deed me denken aan de regel dat in organisaties de top daarvan tussen de 20 en 30% van de tijd bezig is met het beschermen en zo mogelijk vergroten van het eigen territorium. Directeuren en bestuurders zijn voor een aanzienlijk deel van hun tijd bezig om elkaars stoelpoten te verkleinen en die van hen zelf te vergroten. Zonde van de tijd. Deze kan beter besteed worden aan het leiden van de organisatie (onderdelen). Bovendien levert het niet zo veel op. Per saldo wordt de kracht van en binnen de organisatie niet vergroot laat staan de kwaliteit en efficiency van werken.
Op het oog gaat het dan alleen om het behartigen van het eigenbelang van betrokkenen.
Voor een deel is dat zeker waar. Daarnaast worden hier ook de belangen van de diverse organisatieonderdelen binnen het geheel behartigd en veiliggesteld. Een directeur die niet staat voor zijn club en de belangen daarvan niet bevecht ten opzichte van de andere clubs heeft het zwaar. Hij/zij moet bij voortduring uitleggen waarom hij weer niet voor zijn mensen is opgekomen en zijn interne positie raakt in gevaar. Daarmee wordt het onderdeel van de eeuwige afweging tussen organisatiebelang en het belang van de diverse onderdelen daarvan. Je kunt het onderwerp dus niet zo maar afdoen als ongewenst en contraproductief. Er zitten veel meer kanten aan dan je zo zou denken.
Als bestuurder moet je boven de onderlinge gevechten staan maar je kunt ze niet negeren. Ze kunnen de effectiviteit van het geheel negatief beïnvloeden en ook schade toebrengen aan individuele medewerkers.
Anderzijds moet je accepteren dat er nu eenmaal een pikorde bestaat en dat die moet worden onderhouden. Als kippenboer ben je daarbij voor een deel toeschouwer.
Op 10 december 2010 heb ik afscheid genomen als bestuurder van de Carint Reggeland Groep. Dat was een mooie dag met veel, gelukkig korte speeches, praatjes met medewerkers, leden van de raad van toezicht, directeuren en andere bestuurders en vele externe relaties. De datum was lang tevoren bekend dus het was allemaal geen verrassing. Ook niet het feit dat ik vanaf dat moment geen bestuurder meer ben. Lees meer »
Het spreekt Engels, is iets te jong, draagt te korte rokjes boven te witte en te dikke benen en jaagt in trosjes van drie op onze Nederlandse jongens.
Deze moeten niet zo veel van deze hoempen hebben, maar richten zich bij tijd en wijle op een MILF of worden te grazen genomen door een cougar of een dragon.
Een weekje voor de kerst was ik in Valto Thorens, Valto voor de kenners, wezen skiën. Dat deed ik met een aantal twintigers waaronder wat van mijn kinderen. Ik heb me lang verzet tegen dit soort Salou-achtige oorden maar gezien de wens om veel en mooi te kunnen afdalen ben ik gezwicht.
En het was er prachtig; mooie pistes, goede sneeuw, ruime accommodatie enzovoort.
De Engelsen bleken veel eerder dan wij kerstvakantie te hebben en waren in grote getale aanwezig. Dus veel lawaai, gebaseerd op fikse hoeveelheden alcohol en ongeremd gedrag.
In een week tijd ben ik weer helemaal ingepraat op de onder onze jeugd gangbare terminologie, normen en gebruiken. Veel is er veranderd maar het meeste herken ik toch wel uit mijn eigen jeugd.
U staat mij toe bovenstaande termen verder niet toe te lichten. C3 is een fatsoenlijk bureau nietwaar.
Het was heerlijk. Ben nog nooit zo snel naar beneden gekomen. En maar één keer gevallen; inderdaad toen ik bijna stilstond. Ik kan het nog en ga zeker vaker.
In het kader van de oplossing van het probleem ‘code rood’ heeft het ministerie in de eerste helft van het jaar ca € 600 mln ter beschikking gesteld. Daarbij gaat het om het doen verdwijnen van alle 3 en 4 bedskamers in verpleeghuizen. Deze zijn met veel enthousiasme gebouwd in de jaren tachtig en worden nu aangeduid als onacceptabel. Op zich niet raar; inzichten wijzigen zich nu eenmaal. Alleen jammer dat vele instellingen in die periode voor lange perioden hebben geïnvesteerd en de overheid heeft besloten de financiering van voorzieningen te wijzigen. Het risico komt voor een belangrijk deel bij de instellingen te liggen. Vervolgens worden die hiervoor genoemde meerbedskamers tot onacceptabel verklaard en vervalt de financiering daarvoor.
Maar geen nood: er komt € 600 mln beschikbaar om het aldus ontstane probleem op te lossen. Dat wil zeggen dat om te beginnen meer dan de helft verdwijnt naar de ziekenhuizen. Daar is de gemiddelde ligduur 9 dagen of minder en dan is het voor patiënten natuurlijk veel belangrijker om alleen te liggen dan mensen die soms jaren in een verpleeghuis verblijven. Maar goed, zo gaat dat. Alleen jammer dat het overgebleven bedrag niet voldoende is om alle aanvragen van de verpleeghuizen in te willigen. Dus moet er een manier gevonden worden die de toewijzing regelt. Eerst werden er enkele criteria gesteld. Toen bleek dat daar niemand aan kan voldoen, koerst men nu aan op het pondsgewijs te verdelen. Ondertussen zijn we maanden verder en weet nog niemand waar we aan toe zijn. Maar op 1 januari 2011 moet er wel met de bouw zijn begonnen. Anders verdwijnt de financiering.
Misschien is de overheid zorgzaam voor de inwoners, in ieder geval niet voor de met de zorg belaste instellingen. Die worden blij gemaakt met half dooie mussen.
Over het algemeen houd ik niet zo erg van mensen die zichzelf op de voorgrond plaatsen. Zeker niet als dat ten koste van anderen gaat.
Deze week kwam een aantal voorbeelden voorbij die me opvielen.
Lees meer »
Gisteren liepen mijn vrouw en ik als zo vaak door het bos bij Berg en Dal.
Dit keer extra mooi vanwege de uitbundige herfstkleuren.
Het was de eerste dag van de herfstvakantie in onze regio. Dat bleek aanleiding voor een massale trek naar de anders zo stille Duivelsberg. Misschien dat de overvloedige oogst aan tamme kastanjes daar aan bijdroeg. Het was in ieder geval een lawaai van jewelste. Veel ouders met vaak kleine kinderen. Dus moest er gecorrigeerd worden. Het was grappig om te horen hoe dat in Nederland gaat.
Sommige ouders praten nu eenmaal wat harder dan ik gewend ben. Dat doen hun kinderen dus ook.
Gelukkig is het bos groot genoeg om dan een ander weggetje in te slaan.
Andere ouders zeggen niet zo veel. Dat werkt prima. Hun kinderen letten in de hun vreemde omgeving goed op hun pa en ma zodat ze niet verdwalen. De enkele aanwijzing die ze krijgen volgen ze dan ook goed op.
Het aardigste vond ik de moeder die onafgebroken haar drie kinderen aanwijzingen gaf. Niet hard, niet vervelend maar wel in een oneindig lijkende woorden stroom. Het resultaat was koddig om te zien. De kinderen reageerden nergens meer op. Geen enkele aanwijzing was onderscheidend van de vorige dus ze gingen volkomen hun eigen weg.
Op zo’n moment denk ik altijd aan mogelijke lessen voor mijn rol als bestuurder of als adviseur. Communicatie in organisatie is altijd een bron van wrevel. Het is altijd te weinig of te veel. Veel medewerkers lezen hun post/mail niet of zijn niet op werkoverleggen waar zaken aan de orde worden gesteld. Ze verwijten de leiding wel dat ze niet goed worden geïnformeerd. Andere vinden dat ze veel te veel informatie krijgen en willen graag alleen dingen horen die voor hen van toepassing is en niet meer.
Helemaal goed zullen we het wel nooit doen. De behoeften liggen nu eenmaal verdeeld. Wat ik wel uit mijn bos uitje heb meegenomen is dat informatie vooral goed gericht moet zijn en zeker niet te veel.


